Home
Actueel
Geschiedenis
Ons uniform
Ons nieuwe vaandel
Koningsplaat 1738
Foto's / Video's
Contact
Gastenboek

 

Het Uniform van Stadsschutterij ‘St. Rosa’ krijgt vanuit het Mariniersmuseum erkenning.

 

 

 

In 1988 heeft een select groepje pioniers de oude rustende stadsschutterij nieuw leven ingeblazen door deze opnieuw op te richten. Dit zou een hele klus worden. Een onderdeel van deze operatie was de aanschaf van uniformen. Gelukkig was onze zustervereniging, de schutterij Sint Lambertus uit Broeksittard, voornemens om zelf nieuwe uniformen aan te schaffen. Hierdoor kwamen de door hun tot dan toe gedragen uniformen vrij en heeft het heroprichtingsgroepje destijds besloten om deze “oude” uniformen van schutterij Sint Lambertus over te nemen voor de nieuw op te richten Stadsschutterij St. Rosa.

Vanaf het moment van heroprichting heeft Stadsschutterij St. Rosa steeds dit uniform met waarde gedragen.

 

Lange tijd is er gedacht dat het uniform dat de stadsschutterij ‘St. Rosa’ uit Sittard draagt overeenkomsten vertoont met het ceremoniële tenue van de Mariniers, maar dat er veel zelf aan gesleuteld zou zijn, waardoor het eigenlijk als een fantasie-uniform betiteld zou moeten worden. Dit is echter niet het geval. Zelf ben ik zeer geïnteresseerd in allerlei zaken die te maken hebben met het verleden van de vereniging waartoe ik behoor.

Zo had ik al snel diverse verhalen gehoord over het door onze schutterij gedragen uniform.

Het waren voor mijn gevoel vaak tegenstrijdige verhalen.

 

In maart 2010 heb ik een onderzoek ingesteld naar het ontstaan en de herkomst van ons uniform.

Het was mij wel duidelijk dat er veel kenmerken in ons uniform zitten die terug te vinden zijn in het ceremoniële tenue van het Korps Mariniers dat in 1955 door dhr. F.J.H.Th. Smits is ontworpen en zoals men het nu heden ten dagen nog draagt (Zie afbeelding 1).

 

afbeelding 1

Afbeelding 1

 

Het lag voor de hand dat ik wellicht in het Mariniersmuseum te Rotterdam de nodige informatie zou vinden omtrent het uniform van het Korps Mariniers. Tijdens het bezoek aan het museum ging er een wereld van informatie voor mij open. Ik kreeg een rondleiding door het kledingdepot van het museum. Hier hangen werkelijk alle door het korps, in het verleden en heden, gedragen officiële uniformen en hoofddeksels.

 

Na deze rondleiding hebben we ons uniform onder de loep genomen.

Ik vertelde de collectiebeheerder dat het verhaal gaat dat de door ons gedragen uniformen, die wij in 1988 hebben overgenomen van schutterij Sint Lambertus Broeksittard, zeker 40 jaar oud moeten zijn.

 

Ook was het mij opgevallen dat er bij de collectie in het depot, veel uniformjassen hingen waarbij de binnenvoering van de jassen op dezelfde manier met rood garen was doorstikt als enkele zeer versleten uniformjassen van ons. Gezien hun zeer slechte staat zijn die enige tijd geleden opgeruimd, niet wetende wat de juiste herkomst van deze uniformen was. Dit waren ook jassen welke aan de binnenkant van de sluitzijde, met rode stof zijn afgezet. Aan de binnenkant van deze uniformjassen zit het label van de firma Pisa, het confectieatelier dat deze uniformen gemaakt heeft. Van deze uniformen hebben wij er nog enkele in ons bezit. Door hun slechte staat kunnen deze niet meer gedragen kunnen worden. Maar zullen ze, zeker nu, in ons archief bewaard worden.

 

Op de onderstaande afbeeldingen zijn de betreffende logo’s te zien.

 

 

 

Na wat speurwerk uitgevoerd door de collectiebeheerder van het museum, kwam eensklaps het eureka!  “Ik weet waar jullie uniform vanaf komt”, zei hij. “Het is eigenlijk een verdwaald bijzonder uniform”. Wat is het achterliggende verhaal?

 

Tijdens de jaarlijkse taptoes in Delft in de jaren ’60 en ’70,  waaraan ook ieder jaar weer de Marinierskapel en de Tamboers & Pijperkorps deelnemen, werden regelmatig historische uniformen gedragen. Als basis hiervoor gebruikte men vaak oudere ceremoniële uniformen. Deze werden voor de gelegenheid aangepast om het gewenste historische uniform te verkrijgen.

Als adviseur hierbij fungeerde altijd diezelfde F.J.H.Th. Smits, die in 1955 het ceremoniële uniform had ontworpen. Als uniformkenner en esthetisch adviseur van het ministerie van Defensie was hij hiervoor de aangewezen persoon. Zo heeft hij ook de basis van het uniform ontworpen zoals wij het nu dragen.

 Als erkend deskundige werd hij destijds namelijk ook vaak gevraagd door schutterijen om te adviseren bij de aanschaf van nieuwe uniformen. Vermoedelijk heeft hij de Schutterij St. Lambertus hierbij aan een nieuw tenue geholpen, door twee tenues te combineren.

 

Hoe is ons uniform nu ontstaan?

 

Dhr. Smits heeft feitelijk van twee uniformen de karakteristieke elementen genomen, nl. als basis het uniform uit 1862 (Zie afbeelding 2) met de schouderpaletten (ook wel paletten), de wings en de rechte rode bies op de mouw met de twee knoopjes en van het ontwerp van het ceremoniële tenue uit 1955, de chevrons, fourragères, de hoge kraag, de zwarte koppel en de kurken helm (Zie afbeelding 3), en deze gecombineerd in het nieuwe uniform. Zo vond het uniform, die alleen maar bestemd was voor die ene taptoeweek in een iets gewijzigde vorm een nieuwe bestemming bij de Schutterij Sint Lambertus te Broeksittard.

Bij heroprichting van Stadsschutterij St. Rosa Sittard hebben wij deze uniformen weer overgenomen van Lambertus Broeksittard.

 

 

   

Afbeelding 2

 

Afbeelding 3

                                                   

De Jas.

 

Het uniform was gemaakt van donkerblauw laken stof.

Op de jas zat een staande kraag van 55 mm hoog van poncearood laken, waarboven een wit randje uitsteekt van het witte binnenboord. De jas werd gesloten door een enkele rij van 7 bolle knopen dit i.p.v. de originele enkele 9 rij’s knopen, voorzien van een staand anker.

 

Op de staande kraag werd voor de onderofficieren en de manschappen één geel vlak ter grootte van een van de twee vooroorlogse lissen echter zonder knoopjes aangebracht, voor de officieren werd hier de rangorde op aangegeven gelijk als op de ondermouw.

 

Aan de onderkant van de mouw bevindt een 10 cm brede omslag, afgebiesd met een bies van ponceaurood laken. Boven en onder het rode biesje bevind zich op 15 mm afstand van de rode bies voor de onderofficieren en de manschappen een klein knoopje met staand anker.

Voor de officieren bevinden deze knoopjes zich onder en boven de eerste galon.

 

Op de schouders bevinden zich bij de manschappen kleppen, die aan de kraagzijde worden afgesloten door een knoopje voorzien van een staand anker. Bij de officieren bevinden zich op de schouders gouden visgraatpassanten met aan de linkerkant voorzien van een kneveltje.

 

Onderofficieren en manschappen dragen een fourragères bestaande uit een rood halssnoer met een doorsnede van Ø 5 mm voorzien van 4 schuivertjes en een paar kwasten.

Het halssnoer heeft een zodanige lengte, dat het ten hoogste 10 cm onder de taille hangt.

Het halssnoer voor de officieren is van gouddraad en voor de adjudantenonderofficier

(vaandrig) van gouddraad, op 5 mm afstand spiraalvormig doorweven met een draad van ponceaurode zijde draad.

 

Op de jas werd door de manschappen een zwarte lederen koppel van 45 mm breed gedragen, voorzien van een speciaal voor deze gelegenheid vervaardigde gesp, voorzien met lauwerkrans met bolle knoop met staand anker. Door de officieren werd een oranje sjerp, voorzien van de twee kwasten, gedragen.

 

De Broek.

 

De broek is voor alle manschappen hetzelfde als omschreven in artikel 246 eerste lid.

De broek is aan weerszijde langs de buitennaad voorzien van een rode bies van poceaurood laken van 10 mm breed. Voor de broek van de onderofficieren en de officieren zijn de buitennaden van beide pijpen,

voorzien van een bies van ponceaurood laken van 10 mm breed en aan weerszijde, direct tegen de bies een gouden galon van 20 mm geweven zigzag motief.

 

 

 

De Helm.

 

Bij dit uniform werd de historische kurken helm met korte piek gedragen volgens het model uit 1896 en weer ingevoerd bij het ceremoniële tenue uit 1955 (Zie afbeelding 4).

De helm is overtrokken met zeer donkere tibet of serge, een fijne wollen stof.

 

De uitvoering van de Sittardse helm wijkt af van de historische mariniershelmen: de korte piek werd vervangen door een lange piek met daaraan een afhangende pluim van wit paardenhaar die reikte tot aan de rand van de helm. Ook de helmplaat kreeg een afwijkende vorm van de oorspronkelijke plaat, die als officieel embleem van het Korps Mariniers werd gevoerd (Zie afbeelding 5).

 

 

   

Afbeelding 4

 

Afbeelding 5


Bij de overdracht van de bijzondere uniformen werd het officiële (in 1896)  door de 1e Luitenant der Mariniers J.W.Wijnands ontworpen embleem waarschijnlijk niet meegegeven.

Toen wij de uniformen in 1988 overnamen, zat er een eenvoudig standaard embleem op de helm, welk wij hebben vervangen door een speciaal ontworpen eigen embleem voor de Stadssjötterie Junggesellencompagnie Sint Rosa Zitterd. Voorstellend het verenigingsvaandel met in het midden het oude stadswapen van de gemeente Sittard. 

Op afbeelding 6-1, 6-2 en 6-3 is de helm te zien met het embleem van de Stadsschutterij St.Rosa.

 

 

       

Afbeelding 6-1

 

Afbeelding 6-2

 

Afbeelding 6-3

   

Welke specifieke kenmerken zijn kenmerkend voor het ceremoniële tenue van het Korps Mariniers en waar vinden deze hun oorsprong?

 

Nadat we het uniform hierboven hebben beschreven, zijn er nog een aantal zaken die kenmerkend zijn, aan en rond het uniform.

 

Als eerste nemen we de rangaanduiding bij de officieren. Door de jaren heen wisselde dit nog al eens.

Per discreet van 17 september 1806 werd door Lodewijk Napoleon een nieuw systeem ingevoerd voor de epauletten voor officieren. Het betrof alle officiersrangen vanaf maarschalk (niet van toepassing voor de mariniers) tot de tweede luitenant, inclusief de zogenaamde contra-epauletten.

 

Het besluit van 1814 bepaalde de onderscheidingstekens voor de rangen, die gelijk waren aan die van de leger. Voor officieren werden dat weer de gouden epauletten, met bouillons en torsades, net als in de Franse tijd. De hoofdofficieren (majoor,luitenant-kolonel en kolonel) kregen op beide schouders een epaulet met bouillons; afhangende dikke franje van spiraaltjes gouddraad.

Het onderscheid tussen de drie rangen werd aangegeven door het aantal zilveren strepen op de epaulet.

Kapiteins en luitenants kregen eerst op hun rechter schouder en later op beide schouders een epaulet.

 

  • Kapiteins met bouillons (dikke franje van gouddraad)
  • Luitenants met torsades (dunne franje van gouddraad.)

Ook bij hen zat het rangverschil in het aantal zilveren strepen op de epaulet.

Ook die strepen waren overgenomen uit de Franse tijd, de laagste rang had twee strepen, en bij bevordering werd er een streep afgehaald (Zie afbeelding 7-1 en 7-2).

  

   

Afbeelding 7-1

Kapitein der Mariniers

C.J Wilkens anno 1842

 

 

Afbeelding 7-2

 Tweede Luitenant der Mariniers

Jan Bakker anno 1835

 

 

De rangen van alle overige onderofficieren werden aangegeven door chevrons op de ondermouwen.

De sergeant-majoor een dubbele gouden, de sergeant een enkele gouden, en de korporaal een dubbele van geel kamelenhaar.

 

In 1862 kwam door de invoering van een nieuw marinierstenue ook een verandering in de rangaanduiding voor de officieren. In eerste instantie bleven de schouder epauletten en werden deze uitgebreid met de gouden galons op de ondermouwen.

 

In 1867 deed het halssnoer met kwasten (fourragères) zijn intrede en verdwenen de schouderepauletten, welke vervangen werden door de gouden visgraatpassant.

 

Vanaf deze tijd werd de rangen van officieren aangegeven door de goudens galons op de ondermouwen in combinatie met de fourragères. De fourragères wordt vastgemaakt aan een knoopje onder het linker visgraatpassant. Het halssnoer loopt vervolgens over de visgraatpassant heen en wordt op zijn plaats gehouden door het kneveltje. Vervolgens schuin achter de rug, via de rechterheup en dan weer schuin over de borst naar de linker schouder. Daar wordt het dubbele snoer over de kwasten geschoven en met een schuivertje vastgezet.

 

Deze wijze van rangonderscheiding wordt nu nog steeds bij het ceremoniële tenue toegepast en dient derhalve ook zo te worden gedragen. Een combinatie van verschillende periodes is dus niet gangbaar en officieel.

 

Op onderstaande afbeeldingen zijn de verschillende rangaanduidingen door de diverse tijdperken heen te zien.

 

       

Rang aanduiding d.m.v.

Epauletten op beide schouders

Periode rond 1854

 

Rang aanduiding d.m.v.

Epauletten en Goudgalons op

beide ondermouwen

periode 1860-1876

 

Rang aanduiding d.m.v.

Halssnoer met kwasten (Fourragères)

en Goudgalon op de ondermouw

Waarbij de bovenste galon werd voorzien van een krul.

Periode 1876 - heden

 

  

 

De rangaanduiding op het uniform.

 

Op het huidige ceremoniële tenue van het Korps Mariniers, worden de diverse rangen aangeduid d.m.v. Chevrons op beide ondermouwen voor de manschappen en de onderofficieren voor beide in combinatie met de rode fourragères. De vorm van de chevron is steeds hetzelfde alleen de uitvoering is per rang verschillend.

De chevron heeft de vorm van twee bananenschillen. Deze starten vanuit de zij stiknaden van de mouw ter hoogte van de rode bies, en lopen naar een punt omhoog.

 

  • Voor de marinier der tweede klasse is dit een enkele chevron van rood kemelsgare (rode wol) op alleen de linkermouw.
  • Voor een marinier der eerste klasse is dit een dubbele chevron van rood kemelsgare (rode wol) alleen op de linkermouw.
  • Voor de korporaal is dit een dubbele chevron van gele wol alleen op beide mouwen.
  • Voor de sergeant is dit op beide benedenmouwen een chevron van 23mm brede goudgalon,            staande  met de tophoeken onderscheidenlijk 165 en 230 mm van de onderkant van de mouw. De uiteinden der chevron vallende in de binnen – en buitennaad, de onderkanten van die uiteinden, omgeven met 2 mm uitstekende bies van ponceaurood laken.
  • Voor de sergeant-majoor is dit op beide benedenmouwen een dubbele chevron van 23mm brede goudgalon, staande met de tophoeken onderscheidenlijk 165, 230 en 305 mm van de onderkant van de mouw. De uiteinden der chevron vallende in de binnen – en buitennaad, de onderkanten van die uiteinden op de rode bies van de omslag. De chevrons naast elkaar, met een tussenruimte van 2 mm op een ondergrond van ponceaurood laken. De dubbele chevron, uitgezonderd de uiteinden, omgeven door een 2 mm uitstekende bies van ponceaurood laken. 

De sergeant-majoor, sergeant, korporaal en de manschappen, dragen om hun middel een zwart lederen koppel aan de voorzijde gesloten met een koperen gesp voorzien van een knoop met een staand anker.

Deze koppel wordt op hoogte gehouden door twee koppelhaakjes aan weerszijde aangebracht in de zijnaden van de jas

 

Voor de officieren worden de rangonderscheidingen aan gegeven door middel van galons op beide ondermouwen combinatie met gouden fourragères in verschillende uitvoeringen al naar gelang de rang. Deze galons hebben afhankelijk van de rang twee uitvoeringen, een smalle galon met een breedte van 6.35 mm, een brede goudgalon met een breedte van 12.7 mm of een combinatie van beide, afhankelijk van de rang. Aan de bovenste galon bevind zich een krul in de draairichting van binnenuit naar buiten.

Om het middel dragen alle officieren een oranje sjerp met twee hangende lange kwasten.

 

 

Het halssnoer en het aantal kwasten, de fourragères.

 

De sergeant-majoor, sergeant, korporaal en de manschappen dragen een rode fourragères bestaande uit een rood snoer met vier schuivertjes en twee rode kwasten elk samengesteld uit franje, van boven gelegd met zes koorden, waarop een peer, lang 35 mm, het geheel van ponceau rode wol. De fourragères worden onder het schouder epaulet d.m.v. een knoopje bevestigd.

 

De officieren dragen een gelijksoortige fourragères, met dien verstande dat het rode koord nu vervangen is door een koord van gevlochten gouddraden om een katoenen kern evenals de kwasten, die ook vervaardigd zijn van gouddraden.

 

Wel wordt er bij de officieren onderscheid gemaakt in de uitvoering van de kwasten, al naar gelang de rang. Voor de lagere officieren worden de kwasten gemaakt van dunne franjes gouddraden de zogenaamde torsades, en voor de hogere officiersrangen wordt gebruik gemaakt van dikke franje gouddraden, de zogenaamde bouillons.

Verder is het aantal en de uitvoering van het aantal kwasten afhankelijk van de rang.

 

In onderstaand overzicht zijn de meest gangbare officiersrangen binnen de schutterswereld weergegeven.

 

De adjudant-onderofficier (vaandrig)

 

Op beide ondermouwen één smalle goudgalon met krul.De fourragères is voorzien van twee gouden kwasten, naast elkaar, elke kwast is samengesteld uit honderdtwintig torsades (dunnen franje), lang 55 mm, van boven gelegd met zes randen gouden koord, waarop een peer, lang 35 mm.Bij de torsades zijn de twee buitenste rijen van goud, de daaronder gelegen van rode zijde. Een variant hierop is dat de gouden franje doorregen wordt met rode zijde.


De Tweede Luitenant

 

 Op beide ondermouwen één brede goudgalon met krul.

 De fourragères is voorzien van twee gouden kwasten, naast elkaar en elke

 kwast is samengesteld uit honderdtwintig torsades met een lengte van

 55 mm,van  boven naar beneden gelegd met zes randen gouden koord met

 daarop een peer van 35 mm lang.

 

 


 

 

De Eerste Luitenant  

 

 Op beide ondermouwen één brede goudgalon met krul en

 daaronder een smalle goudgalon.

 De fourragères is voorzien van drie gouden kwasten, twee naast elkaar en

 de derde in het midden daarboven.

 Elke kwast is samengesteld uit honderdtwintig torsades met een lengte

 van 55 mm, van boven naar beneden gelegd met

 zes randen gouden koord met daarop een peer van 35 mm lang.

 

 


De kapitein  

 

 Op beide ondermouwen twee brede goudgalons waarvan de bovenste

 voorzien is van een krul. De fourragères is voorzien van 

 twee gouden kwasten, naast elkaar.

 Elke kwast is samengesteld uit vijfentwintig bouillons, en wel

 in de buitenste rij vijftien, de bouillons van de buitenste rij zijn

 57 mm lang en 9 mm dik. In de binnenste rij komen tien bouillons met

 een lengte van 47 mm èen een dikte van 5 mm, van boven gelegd

 met zes randen gouden koord met daarop een peer van 3 cm lang.

 

 

 

De Majoor

 

 Op beide ondermouwen twee brede en één smalle goudgalon.

 De bovenste brede goudgalon is voorzien van een krul.

 De fourragères is voorzien van drie gouden kwasten, twee naast elkaar

 en de derde in het midden daarboven. Elke kwast is samengesteld uit

 vijfentwintig bouillons, en wel in de buitenste rij vijftien, de bouillons van

 de buitenste rij zijn 57 mm lang en 9 mm dik.In de binnenste rij komen

 tien bouillons met een lengte van 47 mm en een dikte van 5 mm,

 van boven gelegd met zes randen gouden koord met daarop

 een peer van 3 cm lang.

 

 

De Luitenant-kolonel

 

 Op beide ondermouwen drie brede goudgalons. De bovenste brede

 goudgalon is voorzien van een krul.

 De fourragères is voorzien van vier gouden kwasten.

 De bovenste twee kwasten zijn van zilver en de onderste twee van goud.

 Elke kwast is samengesteld uit vijfentwintig bouillons, en wel

 in de buitenste rij vijftien, de bouillons van de buitenste rij zijn

 57 mm lang en 9 mm dik. In de binnenste rij komen tien bouillons met

 een lengte van 47 mm en een dikte van 5 mm, van boven gelegd

 met zes randen gouden koord met daarop een peer van 3 cm lang.

 

De fourragères wordt op de jas aangebracht, de lis aan de schuifknoop van het snoer, lopende nabij de kwasten onder de linkerschoudertres door en bevestigd aan het knoopje op de linkerschouder. Het dubbele koord achter de schuifknoop wordt over de linkerschoudertres genomen, zodat het kneveltje tussen de koorden komt en met de tweede schuifknoop wordt gesloten.

Het dubbele koord gaat langs de rug en onder de rechterarm door, waarna de kwasten door het einde van het dubbele koord worden gestoken en met de laatste schuifknoop worden opgesloten.

Officieren dragen het schoudersnoer over de oranje sjerp.

 


Sabel en koppel.

De nieuwe marinierssabel, welke is ingevoerd in 1854, was gelijk aan de sabel van de infanterie, namelijk een licht gekromde sabel in een metalen schede.

De mariniers hanteerde de sabel als zogenaamde sleepsabel, waarbij de sabel met schede in de linker hand ‘gedragen’ wordt, of afhangend aan de riem waarbij het uiteinde van de schede over de grond sleept (Zie afbeelding 8).

 

 

Afbeelding 8

 

 

 

Aan de schede van de marinierssabel bevinden zich twee onder elkaar aan gebrachte bevestigingsringen en een rechthoekige haak, de ‘Reiterusen’. De kling, het blanke scherpe deel, is wit blinkend met een ronde rug.Het gevest als handvat was van tombak, een legering van koper en zink, de schede is van staal of Berlijns zilver.

De sabel wordt bevestigd aan een smalle verlakte koppel (broekriem) onder de jas. De bevestiging verloopt via twee aan de koppel (broekriem) afhangende riempjes van 20 mm breed, een met een lengte van 95 cm voor het bovenste oog van de schede en een van 120 cm voor het onderste oog van de schede, voorzien van musketons, die worden aangehaakt in de twee ogen aan de schede.

Aan het uiteinde van elke draagriem is een vergulde gesp en haak met een veersluiting bevestigd.

Aan de broekriem van de onderofficieren en officieren, bevinden zich drie lederen schuiven waaraan bij twee een lederen sabelriem komt en bij één een verlengde musketonhaak.

De sabel, met daaraan de zwarte draagriempjes, wordt normaal gedragen in de linkerhand.

Aan de koppel(broekriem) zit nog een musketonhaak, die aan de Reiterusen

(rechthoekige haak) aan de schede kan worden bevestigd, wanneer de sabel moet worden opgehangen om zo beiden handen vrij te hebben, bijv. wanneer de marinier te paard was.

 

In het leger is het gebruikelijk dat de sabel altijd in de schede blijft, ook tijdens het marcheren.

De sabel wordt alleen maar getrokken als men als officier het commando voert of het brengen van de eregroet. In de schutterijwereld wordt hier van afgeweken. 

 

De marinier en zijn Marketentster.

 

Ook bij het Korps Mariniers waren tot circa 1890 marketentsters aanwezig. Hiervan zijn slechts enkele afbeeldingen bekend.

Voor zover is na te gaan zijn er slechts twee marketentsters afgebeeld: een marketentster uit de periode rond 1860 en de laatste marketentster, Anneke Neervoort, die zich bij de korpsverjaardag in 1925 nog een keer in uniform liet fotograferen. 

Op onderstaande overzichtsfoto zijn door de mariniers gedragen uniformen door de tijden heen te zien. Het valt direct op dat er maar één uniform van een marketentster staat en wel linksonder.

 

 

De enige overgebleven foto van deze marketentster uit de periode van 1860 is hieronder afgebeeld.

 

 

 

Bij de heroprichting van de stadsschutterij St.Rosa, had men destijds besloten om marketentsters in de schutterij op te nemen.

 

Op onderstaande foto is te zien hoe de marketentsters van de schutterij St. Rosa gekleed waren tot 2011.

 

 

Tijdens mijn onderzoek naar de herkomst van ons uniform sprak ik met de collectiebeheerder van het Mariniersmuseum  ook over de marketentster bij het Korps Marinier.

Hij vertelde mij dat er niet veel over bekend was en dat de enige goede foto dateerde uit circa 1860.

In 2011 hebben we als bestuur van Schutterij St. Rosa besloten om onze marketentsters van nieuwe uniformen te voorzien welke meer passend moesten zijn bij ons uniform.

Er is voor gekozen om kenmerken uit de kleding van de marketentster uit 1860 terug te laten komen in het nieuwe marketentsteruniform.

 

De jas is eender als die van de manschappen, waarbij de uitvoering wel iets vrouwelijker is geworden. Op de schouders zijn ook de wings aangebracht.

De rok is aan de onderzijde voorzien van rode strepen, wat weer de rode streep symboliseert in de broek van de manschappen.

De lengte van de rok is dusdanig dat de gekozen laarzen zichtbaar zijn.

De gekozen laarzen zijn lijkend op de laarzen van de marketentster uit 1860.

Verder is er gekozen voor het bolhoedje met aan een zijde de opgeklapte rand.

Het vaatje is voorzien van een soortgelijk anker zoals afgebeeld op de afbeelding van 1860, evenals de lederen draagriem, voorzien van het soortgelijke anker.

Op onderstaande foto is het eindresultaat van het nieuwe Marketentster uniform te zien.

 

 

Bij deze wil ik mijn dank uit spreken aan het Mariniersmuseum  dat mij zeer veel informatie aan de hand heeft gedaan omtrent het door ons gedragen uniform.

Ook wil ik namens de gehele Stadsschutterij St. Rosa mijn dank uit spreken aan het

Mariniersmuseum  voor het feit dat wij toestemming hebben gekregen om foto’s en informatie te mogen gebruiken uit het door het mariniersmuseum uitgegeven boek,

De Marinier en zijn Uniform.

 

 

Namens de Stadsschutterij St. Rosa Sittard,

 

 

Sittard Juli 2012

 

Jo Suijkerbuijk

Foerier Stadsschutterij Sint Rosa Sitterd

 

 

Bronvermelding:

 

Met dank voor de bereidwillige medewerking en het verlenen van toestemming om gebruik te mogen van de diverse documenten aan:

 

  • Mariniersmuseum Rotterdam
  • De Marinier en zijn Uniform, auteurs: Jan Willem van Borselen en Karel Nicolas en uitgegeven  door het Mariniersmuseum.
  • Marineschepen.nl
  • Defensie uniform privémuseum,   www.dump.nl
  • Fotografie Gabriël Janssen
Webmaster: Peter Mols